biografie biografie
Hoewel Colenbrander allerlei tekeningen en aquarellen maakte op papier, werden het pas echt ontwerpen als hij met potlood tekende op biscuit (één maal gebakken vormen). Biscuit is poreus en neemt lijnen en kleuren meteen op. Het voordeel van direct tekenen op de drager was dat het decor toegesneden kon worden vorm. Hoge vormen konden smalle motieven krijgen die een aantal keren rondom werden herhaald. Bij bredere vormen of vlakke schalen waren andere patronen mogelijk. Colenbranders beheersing van het vak was zo groot dat hij in één keer de lijnen op de klei zette, zonder gebruik van hulpmiddelen als liniaal. Met vaste hand trok hij grillige lijnen over de vorm die vlakken werden doordat ze over elkaar heen liepen. Die vlakken werden vervolgens met waterverf ingekleurd of voorzien van instructies omtrent de kleurverdeling. Op een vorm kon hij diverse decors zetten, eenvoudig door er rechte lijnen tussen te zetten ter afscheiding. Die verschillende patronen moesten een aantal keren herhaald en / of gespiegeld worden aangebracht. Zo groot was zijn inzicht in de decoratieve mogelijkheden, dat hij de effecten en mogelijkheden van een patroon zag, ook al was er voor de leek maar een smalle strook zichtbaar.
Vijf plateelschilders in de schilderzaal van de Ram

Rouwadvertentie bij het overlijden van Colenbrander

Het ontwerpen zelf moet zijn gebeurd in één vloeiende golf, waarbij de kunstenaar zichzelf als een soort medium zag tussen de goddelijke creativiteit en de stoffelijke vorm. De lijnen vloeien in een beweging door, slingeren en kruisen elkaar en vormen vaak abstracte vlekken. De titels die Colenbrander daar vervolgens aan gaf verwijzen soms naar de natuur, zoals bloemen, maar vaak zijn het namen als ’gescheurd’, ‘woest’, ‘warboel’, ‘markt’ et cetera. Meestal werden patronen op het definitieve biscuit overgebracht via papieren stroken. Daarin waren gaatjes geprikt die correspondeerden met de lijnen van het ontwerp, en waardoorheen houtskool werd geblazen die de lijnen op het nieuwe biscuit overbrachten. Omdat dat bij de door Colenbrander ontworpen vazen vrij lastig ging, had Henri van Lerven, self-made chemicus en directeur van de Ram, een soort kunststof laagje ontwikkeld. Dit laagje werd door dompeling in een chemische oplossing op het biscuit aangebracht. Eenmaal droog liet het los en behield zijn vorm. De gaatjes voor het decor konden daarin worden geprikt op de oude manier. Deze ‘huid’ kon steeds opnieuw gebruikt worden. De methode was sneller en preciezer dan het werken met losse papieren stroken. De schilders trokken de lijnen die waren aangegeven met verf na en vulden de vlakken zorgvuldig in op de voorgeschreven manier. De gebruikte verf gaf prachtige diepe kleuren maar liet zich moeilijk opbrengen. Een door Van Lerven aangezochte andere verfsoort werkte veel sneller, maar gaf modderige kleuren. Het was een heftig conflictpunt tussen Colenbrander en Van Lerven. Nadat de schildering was aangebracht, de signatuur van de schilder geplaatst, de titel van het decor en de stempel van de Ram aangebracht, werd de vaas geglazuurd en opnieuw in de oven gebakken.
Om te zorgen dat de schilders zorgvuldig werkten kregen zij niet per stuk uitbetaald, zoals gebruikelijk was, maar per uur.
decor ‘Woelig’
De naam van het decor werd door de Ram meestal toegevoegd aan de gegevens onder de bodem van het aardewerk, zoals hier ‘Brocaat’.